In de krochten van nevelhel,
Werd Hij als mens geboren,
Bracht diepste donker aan het licht,
Om duister van licht te verstoren.
Vluchtend door diep en dal,In maagdeken in de schoot geworpen,
Zich bevrijdend uit geslepen handen,
Toenmaals door sterveling verworpen.
Doch voor velen beducht en bevreesd,
Slechts door heerlijkheid verschenen,
Verkondigde met veel opgetogenheid,
Het diepste donker onvergankelijk verdwenen.